Dekkingsgraad

De dekkingsgraad van augustus 2019 bedraagt 107,6%


Het pensioenfonds moet ervoor zorgen dat er altijd genoeg vermogen is om alle toegezegde pensioenen te kunnen betalen. Een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van pensioenfondsen (de mate waarin het fonds gezond is) is de dekkingsgraad.

De dekkingsgraad geeft aan in hoeverre het totale pensioenvermogen van het fonds toereikend is om alle pensioenen nu en in de toekomst te kunnen betalen. De dekkingsgraad drukt de verhouding uit tussen de verplichtingen van het pensioenfonds aan de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden, en de aanwezige middelen. Bij een dekkingsgraad van 100% kan precies aan alle verplichtingen voldaan worden. Om eventuele beleggingstegenvallers te kunnen opvangen, moeten pensioenfondsen een gezonde reserve aanhouden, het zogenaamde vereist eigen vermogen.

Er worden twee dekkingsgraden onderscheiden:

DNB-dekkingsgraad

De DNB-dekkingsgraad is de actuele dekkingsgraad waarbij wordt gerekend met de actuele door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur. Voor deze rentetermijnstructuur wordt vanaf september 2011 de zogeheten Ultimate Forward Rate (UFR) gehanteerd. De UFR is een kunstmatig bepaalde rente voor rentetarieven op de zeer lange termijn. In de onderstaande tabel staan de DNB-dekkingsgraden van de afgelopen jaren:

 

Dekkingsgraad per 31/12

2018

113,6%

2017

116,9%

2016

110,8%

2015

110,6%

2014

117,6%

Beleidsdekkingsgraad

Omdat de DNB-dekkingsgraad behoorlijk gevoelig is voor veranderingen in de rentestand, bestaat sinds 1 januari 2015 de beleidsdekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad is de gemiddelde DNB-dekkingsgraad over de afgelopen 12 maanden. Dat geeft wat meer stabiliteit aan de dekkingsgraad. En dat is wenselijk omdat er veel van afhangt. De beleidsdekkingsgraad is namelijk bepalend voor het voldoen aan de wettelijke vereiste buffers. Maar daarmee ook voor een aantal belangrijke beleidsdoeleinden. Het moeten verlagen (korten) of juist kunnen verhogen (indexeren) van de pensioenen wordt bijvoorbeeld bepaald aan de hand van de beleidsdekkingsgraad.

Vereist eigen vermogen

Het vereist eigen vermogen is de omvang van het eigen vermogen waarover een pensioenfonds ten minste zou moeten beschikken. Indien een fonds niet over dit vermogen beschikt, is sprake van een tekortsituatie en moet het fonds een herstelplan indienen bij DNB. De hoogte van het vereist eigen vermogen is afhankelijk van het risicoprofiel van het fonds, volgend uit het strategisch beleggingsbeleid van het fonds.

Hieronder een overzicht van de DNB-dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad vanaf januari 2016:


* Dit is de voorlopige dekkingsgraad, hier kunnen geen rechten aan ontleend worden.

Hoe wordt een dekkingsgraad berekend?

De waarde van de beleggingen wordt afgezet tegenover de waarde van de pensioenverplichtingen. De beleggingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde. Hierbij zijn alle (verwachte) toekomstige opbrengsten (rente, dividend, etc) verdisconteerd tegen marktverwachtingen van marktpartijen. Veelal komt deze marktwaarde tot stand op basis van daadwerkelijke vraag en aanbod in de markt. Maar de marktwaarde kan ook worden bepaald aan de hand van andere waarneembare marktvariabelen en modellen.

De pensioenverplichtingen zijn ook gewaardeerd tegen marktwaarde. Hierbij worden verwachte toekomstige uitkeringen contant gemaakt tegen een rekenrente: de zogenaamde rentetermijnstructuur (RTS) die door DNB wordt gepubliceerd. Deze RTS is gebaseerd op een risicovrije rentestructuur (die ook waarneembaar is in de markt) waarop een correctie wordt toegepast: de Ultimate Forward Rate (UFR).

Om onzekerheden in de uitkomsten in de waardering van de pensioenverplichtingen zo veel mogelijk te elimineren, wordt bij de berekening van de contante waarde van de toekomstige kasstromen (de pensioenuitkeringen) rekening gehouden met een te behalen ‘risicovrij rendement’. Hiervoor maakt het dus niet uit hoe de beleggingen verdeeld zijn over de verschillende beleggingscategorieën. Dat is immers de ‘debetzijde’ die al op marktwaarde staat gewaardeerd. Het gaat om de ‘creditzijde’ van de balans, waar de pensioenverplichtingen moeten worden gewaardeerd. Hoe hoger het risico dat hierbij wordt ingerekend (en dus hoe hoger op de rekenrente wordt vastgesteld) des te hoger is ook de onzekerheid van de uitkomsten.

De verplichting aan de deelnemers is geen vaste (nominale) verplichting. De waarde van deze verplichting verandert op basis van de ontwikkeling in de markt (rente). Hierbij is de rekenrente (RTS) cruciaal. Hoe lager deze rekenrente, hoe hoger de huidige contante waarde van de aan te houden verplichtingen.

In discussies over de rekenrente wordt vaak de vraag gesteld waarom er geen rekening mag worden gehouden met een hogere rekenrente omdat de toekomstige opbrengst van de beleggingen (het beleggingsrendement) toch hoger zal zijn dan de RTS. Los van het feit dat hieromtrent in het verleden afspraken zijn gemaakt door sociale partners en wetgever, is hier een aantal zaken tegenin te brengen. De hogere toekomstige opbrengsten van beleggingen zijn al verdisconteerd in de waarde van de beleggingen (‘debetzijde’ van de balans) en het is absoluut niet zeker dat in de toekomst een extra rendement wordt behaald op de middelen die nu zijn vastgelegd in de huidige beleggingen.